Stalbranden: beter voorkomen dan blussen

14 september 2026

Het warme, droge weer domineerde afgelopen zomer de media, maar ook stalbranden kwamen erg vaak in het nieuws. Klopt het dat dit probleem vaker voorkomt, of lijkt dat maar zo? En hoe ver staan we op vlak van preventie? 

Wanneer het regent in Nederland, druppelt het in België. Veel water kregen we afgelopen zomer niet te verwerken, maar als het over het in kaart brengen (en voorkomen) van stalbranden gaat, staan onze noorderburen toch enkele stappen verder. 

We gingen daarom in gesprek met Robin De Sutter van Prevent Agri, een Vlaamse organisatie die land- en tuinbouwers ondersteunt om hun werk veiliger te maken. Voor de Nederlandse context gingen we ten rade bij Henk van Heertum, sectormanager veehouderij bij de Nederlandse verzekeraar Interpolis, die erg actief is binnen de agrarische sector.

Is er zicht op de vaakst voorkomende oorzaken van een stalbrand?

Robin: “De cijfers waarover we bij Prevent Agri beschikken zijn afkomstig vanuit onze contacten met de sector, persartikelen en dergelijke. Er moet rekening gehouden worden met het feit dat (vooral via de persartikelen) er dikwijls geen oorzaak bekend is ten tijde van de publicatie. Dit moet na de brand worden vastgesteld door een expert, maar dit komt (indien het al zou worden vastgesteld) niet meer in de pers. De oorzaak komt daarom terecht in de categorie ‘onbekend’. Volgens onze cijfers is in 37% van de gevallen de oorzaak onbekend. Bij 31% ligt de oorzaak bij een machine, 8% heeft een technische oorzaak en ook 8% komt door zelfontbranding. Daarna komen las- en slijpwerken (7%), afvalbrand (4%), elektronica (3%). In een klein aantal gevallen is blikseminslag (1%) en brandstichting (1%) de bron van ontbranding.”

Henk: “In Nederland is bij 2/3e van de stalbranden een oorzaak vastgesteld. Elektrische installaties die verkeerd zijn geïnstalleerd, slecht zijn onderhouden, die kortsluiting krijgen of door stofophoping verhitten zijn een vaak voorkomende oorzaak. Daarnaast kunnen tractoren, voermengwagens of andere voertuigen in brand schieten door bijvoorbeeld een combinatie van warmte en vuil. De brand kan overslaan op andere materialen als hooi, stro, stof, isolatie en de stal zelf. Maar ook werkzaamheden als lassen, slijpen, mest mixen en roken vormen een belangrijk risico.”

Is het zo dat de rapportage over stalbranden in Nederland heel anders wordt aangepakt dan in België?

Henk: “In Nederland staat het thema stalbranden en het voorkomen van dierenleed hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Het terugdringen van het aantal stalbranden behoort tot de license to produce van de agrarische sector en de individuele ondernemer. Via het Nederlandse Verbond van Verzekeraars leveren we een belangrijke bijdrage in de Werkgroep Stalbranden. Deze heeft als doel het aantal stalbranden en het aantal dieren dat daarbij omkomt terug te dringen. Hiervoor is onder ander de Risicomonitor Stalbranden ontwikkeld. Sinds 2014 houden de aangesloten verzekeraars het aantal stalbranden per sector bij. We doen onderzoek naar de brandoorzaak om ook dit te kunnen registreren. En om hier lessen uit te trekken voor het verbeteren van veiligheid en preventie. Er is regelmatig overleg waarbij o.a. het Ministerie van Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), sectororganisaties, verzekeraars en brandweer betrokken zijn. Zo is er op initiatief van de Nederlandse overheid met inzet van sectororganisaties, brandweer Nederland en het Verbond van Verzekeraars een brandveiligheidscampagne opgezet, die in het eerste kwartaal van 2026 van start ging.”

“Brandveiligheid is geen kostenpost maar een investering die bijdraagt aan je license to produce.” 
(Henk)

Waarom gaat de rapportage in België nog niet zo ver? Het thema lijkt ook bij ons toch steeds hoger op de agenda te staan? 

Robin: “Allereerst is er een versnippering van de bevoegdheden: zo zijn er verschillende brandweerzones die elk hun eigen manier hebben van registratie (of een gebrek hieraan). Normaal gezien worden ze aangestuurd vanuit Binnenlandse Zaken, maar er zijn ook nog heel wat andere actoren die invloed hebben. Denk hierbij aan de FOD WASO voor alles wat te maken heeft met arbeidsveiligheid en welzijn en de FOD Economie. Daarenboven is het federale niveau niet het enige: ook op Vlaams niveau zijn er belanghebbenden: het Departement Landbouw, het Departement Milieu en Omgeving, de Dienst Dierenwelzijn en Ruimtelijke ordening. Dit maakt het moeilijk om alle eisen, verplichtingen en regelgeving op elkaar af te stemmen, én dus ook de eenduidige registratie. Een bijkomende moeilijkheid in België is de verantwoordelijkheid. Wanneer de brandweer een vaststelling doet qua brandoorzaak, dan heeft de brandweer een waardeoordeel geveld dat door de verschillende partijen gebruikt kan worden (denk aan de verzekeringsmaatschappijen, de landbouwer…). Daarom is de brandweer tot op heden relatief terughoudend om te stellen: deze brand is veroorzaakt door bv kortsluiting… Nochtans is een eenduidige rapportage een lange termijnbeleid, omdat enkel op deze manier doeltreffende actieplannen gemaakt kunnen worden die een impact zullen hebben op het terrein. Zonder gedegen kennis van de ‘oorzaken en feiten’ van branden op landbouwbedrijven blijven alle acties die toekomstige branden moeten vermijden goedbedoelde pogingen.”

Op welke vlakken kan een stalbrand allemaal impact hebben? 

Henk: “Een stalbrand heeft enorm veel impact, zoals het leed van de dieren. Dieren als varkens en pluimvee zijn veelal niet te evacueren. De inzet van de brandweer richt zich veelal op het niet overslaan van de brand naar omliggende bebouwing. De stal zelf wordt dan als verloren beschouwd. Daarnaast heeft de brand enorm veel impact op ondernemer en gezin. De ondernemer ziet levenswerk tenietgaan en is veelal machteloos met angst voor brandoverslag naar andere stallen. Bij veel ondernemers roept een stalbrand nog jarenlang heftige emoties op. Dat geldt ook voor de overige gezinsleden en (jonge) kinderen. Een goed familiegesprek na de eerste hectiek is passend om, ook in de periode die volgt, aandacht te kunnen geven aan verwerking van emoties. Ook voor hulpverleners zijn stalbranden met leed voor mens en dier, impactvol.”

Robin: “Naast lichamelijke en mentale gevolgen voor de betrokken mensen en dieren is er vaak ook impact op de omgeving, bijvoorbeeld door giftige rook, asbestdeeltjes die in de lucht terechtkomen, bodemverontreiniging door bluswater met meststoffen, … En vandaag moet je daar ook de reacties op sociale media bij rekenen. Ook de economische impact kan enorm zijn. Getroffen stallen kunnen niet onmiddellijk opnieuw gebruikt worden, de productie valt stil waar toeleveranciers en afnemers mee de gevolgen van dragen, verzekeringsprocedures zorgen mogelijks voor vertraging, de getroffen stallen moeten heropgebouwd worden en er kan een verlies zijn van de genetische lijn van de dieren. Ook bij een beperkte brand zullen er werkzaamheden moeten uitgevoerd worden die een invloed hebben op de verdere productie en de bedrijfsvoering.” 

Welke veranderingen (zowel binnen de sector als op vlak van beleid) zijn er nodig om het aantal stalbranden te laten dalen en de impact te verkleinen?

Robin: “In de eerste plaats moet er een uniforme registratie zijn van alle branden om de effectieve oorzaken aan te kunnen duiden. Daarnaast zijn de oorzaken die we al opsomden relevant. Om deze branden te vermijden, kan er zeker door alle partijen nog meer aandacht besteed worden aan bijvoorbeeld een 5-jaarlijkse keuring van de elektrische installatie, het bouwen van een stal volgens de richtlijnen, het correct aangeven van de effectieve brandbelasting, plaatsen en onderhouden van brandbestrijdingsmiddelen, correcte keuze van isolatiematerialen, compartimentering, gescheiden opslag van materialen en voertuigen. De meeste zaken worden reeds vandaag verplicht door Federale of Regionale wetgevingen, maar worden onvoldoende toegepast door de sector.”

“Er is nood aan uniforme registratie van stalbranden om oorzaken te kunnen aanduiden.” 
(Robin)

Henk: “Binnen de sector zelf begint het bij bewustwording. Als ondernemer heb je meer handelingsperspectief dan je denkt. Maar gedragsverandering is ook lastig. Je doet dingen al jaren op een bepaalde manier en moet oude gewoontes doorbreken. Je hebt anderen nodig om periodiek met je mee te kijken en je te wijzen op de brandgevaarlijke zaken. Ondernemers weten het veelal wel, maar ze zien het niet meer. In Nederland stellen de meeste verzekeraars een 3 tot 5-jaarlijkse elektra inspectie verplicht. Vanuit Interpolis maken we met verzekerden ook afspraken over preventie passend bij de specifieke bedrijfssituatie. Zo kunnen onze klanten via hun verzekeringsadviseur bij (nieuw)bouwplannen gebruik maken van een risicodeskundige, brandveiligheidsexpert of technisch expert. Deze expert kijkt met de ondernemer naar de bouwplannen. Beleidsmatig is de Nederlandse overheid samen met verzekeraars en sectororganisaties in gesprek over de invoering van een verplichte elektra-inspectie en verplichte brandveiligheidskeuring. Vanuit beleid kan het gebruik van brandveilige materialen fiscaal gestimuleerd worden al dan niet in de vorm van subsidies.”

Kan innovatie en technologie een rol spelen in preventie of het beperken van schade?

Henk: “Deze kunnen zeker invloed hebben op het beperken van schade. Hoe sneller een brand wordt ontdekt, hoe groter de kans is op effectief ingrijpen. Vandaar dat brandmelders en rookmelders in technische ruimtes noodzakelijk zijn. Net als de inzet van slimme installatieapparatuur die in een vroeg stadium afwijkingen in het elektrotechnische systeem waarnemen. Anderzijds zien we ook een ontwikkeling naar meer automatisering, robotisering en sensortechnologie in stallen. Deze kunnen het brandrisico weer verhogen. Het belang van preventief gepland onderhoud wordt hiermee groter. De ontwikkeling naar een meer circulaire bedrijfsvoering, met het zelf opwekken en opslaan van energie kan het brandrisico ook verhogen. Zeker in combinatie met een verdere elektrificatie van machines.”

Robin: “Innovatie en technologie zorgen inderdaad voor uitdagingen én kansen. Er zijn heel wat fabrikanten en landbouwers die al werken met concrete oplossingen, zoals CO2-detectoren die een brand snel kunnen opsporen of temperatuursensoren die je mee perst in een baal hooi en je waarschuwen bij beginnende broei. Ook periodieke controle van de elektrische installaties door middel van infraroodcamera die een temperatuursverhoging detecteert is vandaag mogelijk. En bij de bouw van nieuwe stallen of loodsen kan je investeren in betere isolatiematerialen, elektrische kabels die geen giftige rook afgeven, zelfsluitende compartimentsdeuren, zelfsluitende kleppen in de luchtwasserkanalen… Hier ligt dus zeker toekomst voor de toelevering- en agrarische sector.”

In 2021 telde Prevent Agri 54 stalbranden in Vlaanderen. In 2023 waren dat er 67 en in 2024 klokte de organisatie af op 55. Aangezien de cijfers gebaseerd zijn op berichten in de media is zowel het aantal als de oorzaak een ruwe schatting. Het ontbreken van een officiële registratie vormt een groot knelpunt in de preventie van stalbranden. Gezien het hoge aantal dieren dat gehuisvest wordt in een pluimveestal, was de mortaliteitsgraad door brand bij pluimvee het hoogst, gevolgd door varkens en runderen. Ook voor Wallonië ontbreken trouwens concrete cijfers over het aantal stalbranden en de oorzaak ervan.